Vrijdag 20 oktober 2006
Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie
Dames en heren,
Om te beginnen wens ik het Uitgebreid Bureau van de Raad te danken voor het vertrouwen dat ik heb gekregen toen de opdracht mij werd toevertrouwd. Want, dat was niet zonder risico. Ik wou niet zomaar een boek over Brussel maken. Ik wou niet het zoveelste obligate kijkboek over Brussel uitgeven, het dertiende in een dozijn. Nee, ik wou een boek met originele, ongewone foto’s. Ik wou ook geen beaat, traditioneel boek over een instelling die met zichzelf wil pronken. Nee, ik wou een echt boek, waar ook echt iets in te lezen staat. Een boek met inhoud, kritisch ook en soms met gedurfde stellingen. Welnu, het is een boek geworden dat nieuwe inzichten en dus nieuws bevat.
Voor u staat een gelukkig man. Ik heb voor mijn opdracht kunnen rekenen op schitterende medeauteurs, eminente Brusselkenners en bevlogen creatieve medewerkers, van wie de meesten hier aanwezig zijn.
Professor Els Witte blikt in het boek terug op vijftien jaar beleid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Ze toont aan hoe de VGC is gegroeid van een medespeler tot een onmisbare, "incontournabele" stedelijke partner.
De eerste Vlaamse bouwmeester, b0b Van Reeth bekijkt het nieuwe gebouw van de VGC-Raad als voorbeeld van zijn visie op stedenbouw en architectuur.
Paul De Ridder beschrijft de geschiedenis van Brussel als Brabantse stad tot het eind van de achttiende eeuw. Hij laat vooral de ontwikkeling van het taalgebruik zien.
Professor Harry Van Velthoven geeft een historisch overzicht van de negentiende eeuw tot nu. Brussel evolueert dan van een Vlaamse over een verfranste naar een tweetalige en multiculturele stad.
André Monteyne overschouwt zestig jaar Vlaamse politiek in Brussel, vanaf de tweede wereldoorlog tot nu.
Professor Sera De Vriendt licht het Brussels dialect op een toegankelijke, wetenschappelijke manier toe.
Leo Camerlynck vertelt over de belangrijke West-Vlaamse immigratie naar Brussel.
Johan Thielemans analyseert de evolutie van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg, de KVS als cultureel monument, van bij zijn oprichting tot vandaag.
Guido Fonteyn brengt het succesverhaal van het Vlaams onderwijs in Brussel. Hij geeft ook een beeld van Brussel in de media. En er is ook een belangwekkend essay van Guido Fonteyn over de moeilijke relatie tussen Vlaanderen en Brussel.
Roel Jacobs schrijft over de geschiedenis van de Grote Markt en van de Ommegang.Hij geeft ook een verklaring bij de tien historische Brusselaars die hun naam hebben gegeven aan de vergaderzalen en de publieke ruimten in het gebouw van de VGC-Raad.
Guido Jan Bral heeft het over de Brusselse architectuur, van Rogier tot Beernaert.
En als uitleiding waagt Geert Van Istendael zich aan een stoutmoedige blik op de toekomst van de hoofdstad: Brussel en zijn onberekenbare eeuw. "Brussel is vandaag verleden én toekomst", zegt Van Istendael.
U hoort het: een heuse pléiade auteurs, een boek van bijzonder pluralistische signatuur. Zo pluralistisch dat zelfs Paul De Ridder en Roel Jacobs samen in één boek verschijnen. Zowaar een primeur!
Dames en heren,
Het boek bestaat niet alleen uit teksten. Het is bijzonder rijk en origineel geïllustreerd met ronduit schitterende foto’s van Lander Loeckx.
Er zijn voortreffelijke luchtfoto’s van Wim Robberechts.
Er zijn Brusselse tekeningen en cartoons van Ever Meulen, Gal, Ilah, Johan De Moor en Tom Schamp.
Er is ook veel archiefmateriaal.
Mijn bijzondere dank gaat uit naar Stefan Loeckx, een jeugdvriend die zich heeft overtroffen voor de vormgeving van dit boek.
Ik dank voorts het team van Megaluna+Triumviraat voor de geslaagde invorming, met name Chris Meuris, Sandra Temmerman en Koen De Visscher. Ook de drukkerij Arte-Print onder leiding van Stephan De Bruyn voor de verzorgde en tijdige druk van het boek.
Ik dank de eindredacteurs Danny Vileyn en Mia Verstraete voor de soms slopende eindredactie en ook Krista Kerckhoven die instond voor het secretariaat.
Namens de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie dank ik ook Dexia Bank voor de financiële steun bij de realisatie van dit boek./
Dames en heren,
Brussel is een stad om van te houden, al beseffen de meeste Vlamingen dat niet. Vele Vlamingen hebben een haat-liefdeverhouding met Brussel of zijn onwetend over hun hoofdstad.
De Nederlandstalige oorsprong van Brussel is onmiskenbaar en is nog dagelijks voelbaar in het rijke cultuurhistorische patrimonium van de stad. Tot diep in de negentiende eeuw sprak de overgrote meerderheid van de Brusselse bevolking Nederlands, meestal het Brusselse dialect.
Tegen het einde van de negentiende eeuw kwam in Brussel een massale verfransing op gang onder druk van de Franstalige elite in het unitaire België. De Tweede Wereldoorlog dreigde het Nederlands in Brussel de genadeslag toe te brengen. De collaboratie van het Vlaams-nationalisme met de nazibezetters werd na de bevrijding zwaar aangerekend. Al wat Vlaams was, werd in Brussel over één kam geschoren met het verraad van de collaboratie. De eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, kunnen we rustig omschrijven als de "catacombentijd" van de Brusselse Vlamingen. Een periode waarin zij op eigen kracht, tegen de stroom in, moesten vechten voor de overleving van hun eigen taal, cultuur en onderwijs. Er was toen moed en zelfopoffering voor nodig om zich als Vlaming in Brussel staande te houden. Zelf ben ik van een generatie die zich verwensingen als "sale flamin" moest laten welgevallen of tijdens de speeltijd op school stenen naar het hoofd geslingerd kreeg omdat je Vlaming was in Brussel...
Tegelijk is in die periode de wederopstanding van de Vlaamse gemeenschap in Brussel begonnen, met steun uit Vlaanderen. In de jaren vijftig al kwam burgemeester Lode Craeybeckx met de slogan "Antwerpen laat Brussel niet los". In 1959 deden de schrijvers Stijn Streuvels en Herman Teirlinck een plechtige oproep tot alle Belgen om de Vlamingen in Brussel niet te veronachtzamen. In 1961 en 1962 waren er de roemruchte Vlaamse marsen op Brussel.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw vierde de Fransdolheid van een groot aantal Brusselse machthebbers hoogtij. Met een pletwals wilden zij toen Brussel op irreversibele wijze definitief verfransen. Opnieuw waren het vooraanstaande Vlaamse schrijvers van alle strekkingen die in mei 1976 hun stem verhieven: Louis Paul Boon, André Demedts, Marnix Gijsen, Hubert Lampo, Maria Rosseels, Gerard Walschap, Albert Westerlinck en Anton Van Wilderode.
U kunt hun tekst in het boek nalezen. Dertig jaar later heeft deze tekst niets aan actualiteitswaarde ingeboet.
Later kwamen de congressen van de Brusselse Vlamingen.
Een belangrijk keerpunt is 1989.In dat jaar kwam het Brussels Hoofdstedelijk Gewest officieel tot stand, met een eigen regionaal parlement en een quasi paritaire gewestregering - dat wil zeggen met bijna evenveel Nederlandstalige als Franstalige regeringsleden. Sinds de verkiezingen van 2004 hebben de Vlamingen bovendien een gewaarborgde vertegenwoordiging in het Brusselse gewestparlement. Voorts kunnen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap sinds 1989 in Brussel hun eigen boontjes doppen. Aan Nederlandstalige kant ontstond de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de VGC als opvolger van de Nederlandse Cultuurcommissie (NCC) die al sinds 1971 in moeilijke omstandigheden pionierswerk leverde.
De Vlaamse gemeenschap heeft in Brussel de voorbije decennia een huzarenstukje opgevoerd. Van een kwijnende, onderdrukte gemeenschap heeft ze zich ontwikkeld tot een bloeiende, dynamische en zelfbewuste gemeenschap die haar plaats zoekt en vindt in een hoofdstad die steeds Europeser en internationaler kleurt. Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, dat meertaligheid en kwaliteit steeds hoog in het vaandel heeft gedragen, is een begrip geworden. De Vlaamse basis- en middelbare scholen trekken stilaan bijna dertig procent van het totale Brusselse leerlingenaantal aan, terwijl het aantal Nederlandstaligen in de hoofdstad door sommigen maar op vijftien procent wordt geraamd. Op cultureel gebied speelt de Vlaamse gemeenschap in Brussel een voortrekkersrol, zeker met de podiumkunsten. De uitstraling naar Vlaanderen en naar de anderstaligen in de hoofdstad is enorm.
Een grote troef is het pluralisme, de openheid en de tolerantie van de Vlaamse gemeenschap in Brussel.
Door hun minderheidspositie en hun overlevingsstrijd in de catacombenjaren hebben de Brusselse Vlamingen sneller dan elders geleerd aan één zeel te trekken. Het pluralisme werd in Vlaams Brussel al in de praktijk beoefend lang voor er in Vlaanderen een decreet werd over goedgekeurd. Ook in het gevoerde beleid is dat goed te merken. De Vlaamse Gemeenschapscommissie heeft een heel netwerk aan voorzieningen opgezet. Niet als getto voor de Brusselse Vlamingen, want alle Nederlandstalige instellingen en activiteiten staan open voor al wie er een beroep op wil doen of er gebruik van wil maken.
Niet voor niets is de titel van dit boek: Brussel, Vlaamse en kosmopolitische hoofdstad. Volgens Van Dale is dat een hoofdstad waar mensen uit alle delen van de wereld bijeen wonen.
Toch zijn er na al die jaren nog minpunten. In de meeste Brusselse gemeenten komen de Vlamingen nog onvoldoende aan hun trekken, ondanks het feit dat er nu in bijna alle negentien gemeenten Vlaamse schepenen zijn. Ook oefent Brussel zijn grondwettelijk verplichte tweetaligheid niet overal uit. Denk maar aan de meeste ziekenhuizen. Dat is een hoofdstad onwaardig.
En toch is Brussel voor de Vlamingen een stad om te koesteren, een stad om trots op te zijn. Brussel is de plek waar we de Vlaamse cultuur etaleren en waar we de Vlaamse cultuur laten bevruchten door andere culturen. Er is geen reden om bang te zijn. De Vlaamse gemeenschap is in Brussel weerbaar en krachtig genoeg om als minderheid tussen de toenemende minderheden te gedijen in deze kosmopool.
Zelfs in een minimalistische visie dat er maar vijftien procent Vlamingen zijn in de hoofdstad, betekent dat nog altijd dat er 150.000 Vlamingen in Brussel wonen.
Dat is minder dan in Antwerpen en Gent, maar meer dan in Brugge, Leuven, Hasselt en alle andere Vlaamse centrumsteden. Bovendien spreekt 33 procent van alle Brusselse inwoners Nederlands.
Dat zijn dus 330.000 inwoners die in onze taal een beroep kunnen doen op onze voorzieningen. Dat wij als Vlaamse gemeenschap kunnen meebouwen aan de toekomst van de enige wereldstad die we hebben, moet voor ons allen een uitdaging zijn. Alleen al daarom mag Vlaanderen Brussel nooit uit handen geven. Brussel is om lief te hebben./
Ik dank u.
Daniël BUYLE
Griffier
Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie